Wouter van der Meijden: “Als soldaat maak je van alles mee, mooie en minder mooie dingen”

Wouter van der Meijden (86) uit Zuilichem werd in 1949, na de tweede politionele actie, als dienstplichtig soldaat bij de Infanterie uitgezonden naar Nederlands-Indië. Voordat hij ging, kreeg hij een opleiding van een half jaar. De laatste 6 weken van de opleiding waren gericht op Indië, het Maleis, de cultuur, de tropen. Wouter zou anderhalf jaar weg blijven.

“Waar begin je aan?”
Kort nadat hij in dienst ging in 1948, kreeg Wouter verkering. Zijn vader waarschuwde hem nog: “jongen waar begin je aan, dadelijk moet je naar Indië!” Maar de relatie hield stand. Verleden jaar vierden hij en zijn vrouw hun zestigjarig huwelijksfeest.

Witte handschoentjes
Wouter reisde met de trein naar Rotterdam om zich in te schepen in de Volendam, een schip van de Holland – Amerika lijn. “Op station Zaltbommel werd ik uitgezwaaid door mijn familie en vriendin. In de haven van Rotterdam was bijna niemand om ons uit te zwaaien, maar er stond wel een muziekkorps te spelen. Aan boord werd ik direct zeeziek. Dat duurde veertien dagen. We sliepen met 250 man in het ruim, op stapelbedden, vier boven elkaar. Corvee hadden we ook: het slaapruim moesten we zelf schoonhouden. De kapitein kwam met witte handschoentjes inspecteren of de zaak wel goed schoon was!”

Heel Java doorkruist
Na ruim een maand, april 1949, kwam de Volendam aan in Semarang, een kustplaats op Midden-Java. De onderhandelingen over de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië waren toen al in volle gang. De taak van de Nederlandse soldaten was het herstellen van rust en orde en het beveiligen van koffie -, thee – en suikerplantages. Het peloton van Wouter dat uit 34 man bestond, werd steeds op een andere post gestationeerd. “In de anderhalf jaar dat ik er was, is ons peloton maar liefst 22 keer verhuisd. Van lieverlee zijn we steeds verder het binnenland ingetrokken naar de verschillende buitenposten. Zo hebben we heel Java doorkruist”.

Mooie en minder mooie dingen
Wouter en zijn kameraden liepen patrouille door de bergen en de sawa’s, waar de vijand overal in hinderlaag kon liggen. De patrouilles moesten ook konvooien bewaken. “Als je patrouille liep moest je overal op letten. We moesten ook trekbommen opsporen. Die werden op de weg gelegd en als er dan een voertuig overheen ging werden ze geactiveerd. Gelukkig is er bij ons nooit een ontploft. Wij zaten wél in een gebied waar veel gebeurde. Mijn broer zat op Ambon, hij heeft geen schot gehoord. Maar wij hebben vijf maanden in een probleemgebied gezeten en 13 jongens verloren. Een veteraan praat echter niet over doden die gevallen zijn. Als soldaat maak je van alles mee, mooie en minder mooie dingen. Het was oorlog”.

Geen medische hulp
De wegen werden slechter naarmate ze verder het binnenland introkken. Er konden geen auto’s meer komen, dus ze gingen steeds vaker te voet . Het was dikwijls zeer onherbergzaam terrein. “Als we op zo’n afgelegen buitenpost zaten, was ik wel bang dat een van ons iets zou overkomen. Medische hulp kon daar niet komen. We hadden wel een hospik, een verpleegkundige, maar als er echt iets zou gebeuren hadden we een groot probleem”.

Goede kok
Bevoorrading van de afgelegen posten, zoals noodrantsoenen voor de soldaten, gebeurde ook wel per vliegtuig. “Die noodrantsoenen waren niet te eten. Gelukkig groeide er van alles, zoals kokosnoten, bananen, ananas. Kippen liepen er ook genoeg. We hadden een goede kok, die van niks nog iets kon maken!”.

Vijf maanden wachten
In augustus 1950 werd een ‘staakt het vuren’ afgeroepen. Van beide kanten hield men zich daar keurig aan. Nederlandse en Indonesische militaire politie zaten samen in één jeep. “Wij zaten toen al weer een tijdje in Semarang, waar we vijf maanden hebben moeten wachten op een Amerikaans schip. Het had soldaten naar Noord-Korea gebracht en zou ons op de terugweg ophalen voor onze thuisreis. Niet dat we het daar slecht hadden, het leek wel vakantie. We zwommen in de Java zee, bekeken films en gingen de stad in, naar de overdekte Pasar om souvenirs te kopen. De terugweg duurde maar 21 dagen. In oktober 1950 was ik weer thuis, precies op mijn verjaardag!”.

Tekst en foto: Saskia Weddepohl

 

Back To Top